Kurt Schwitters
Het geboortejaar van het woord Mertz is 1919. Het was het jaar waarin Kurt Schwitters (1887-1948) zijn eerste tentoonstelling had als beeldend kunstenaar. In Berlijn. Het woord moet onder zijn ogen, tijdens het werk, zijn ontstaan. Merz is het tweede deel van Kommerz en dat maakte weer deel uit van een groter geheel: Kommerz und Privatbank. Het woord lag gedrukt voor hem. Hij gebruikte er één deel uit voor een collage: hij verknipte het tot Merz, en dat ging met andere stukjes werkelijkheid een nieuw leven beginnen, in het klein het ideaal uitvoeren: relaties leggen tussen alle dingen van de wereld. Hij zag het woord als aanduiding van zijn wijze van werken, zijn kunst, ook zijn poëzie, en ook van de kunstenaar die hij was. Schwitters’ Merzbau omvatte alles wat dada - of Merz - te bieden had. Ernstig en humoristisch tegelijk, een voortwoekerende constructie met briefjes, knipsels, kindergieter en gevonden steentjes. Op een vervallen landgoed in het Lake District in Engeland, zijn nog wat sporen te vinden van zijn laatste Merzbau. De rest is te vinden in het museum van Newcastle. Zijn eerste ‘Kathedraal van erotische ellende’, zoals Schwitters zijn Merzbau in Hannover noemde, groeide en stulpte als een vrolijk gezwel door de ruimte. Ze begon als een beeld in een kamer in zijn huis, woekerde de kamer uit de gang op, het plafond door naar boven, en het balkon op naar buiten. Als het aan de kunstenaar had gelegen was aan dat woekeren nooit een einde gekomen. Maar in 1943 werd het huis kapotgebombardeerd. Hij heeft het ook nog even geprobeerd in Noorwegen, maar ook daar moest hij vluchten vanwege de nazi’s. In Engeland uiteindelijk begon hij aan zijn derde Merzbau, de Merzbarn in het Lake District. Schwitters zag zijn Merzbau als de belangrijkste en grootste constructie van zijn leven. Het werd zijn eigen variant van het dadaïsme. In het jaar 2000 was de laatste grote overzichtsexpositie in Nederland van het werk van Kurt Schwitters, in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De tentoonstelling was getiteld ‘Ik is stijl’ en werd samengesteld door de toenmalige museumdirecteur Rudi Fuchs. Van de Merzbau was slechts één sculptuur aanwezig. Wel veel (vroege) collages, brave portretten en landschapjes die Schwitters uit financiële nood schilderde. De kritiek op de tentoonstelling was groot. Want door het ontbreken van wat Schwitters zelf als zijn levenswerk beschouwde, ontstond een incompleet en daardoor onevenwichtig beeld. Dat beeld werd nog eens versterkt door het boek dat verscheen bij de tentoonstelling. In het prachtig uitgegeven boek een doorwrocht essay van Rudi Fuchs. Daarin schrijft hij dat de waardering voor Schwitters veel te eenzijdig is. Het blijft beperkt tot zijn ‘heldere’, vroege werk. Terwijl het latere, ‘ruige’ werk nu juist zijn kracht bepaalt. Want dát maakt Schwitters tot wegbereider van de na-oorlogse Duitse schilderkunst. En juist dat ‘ruige’ werk ontbrak in de expositie. Waarmee Fuchs impliciet aangeeft een expositie te hebben samengesteld waarin hij zich teveel heeft laten leiden door de algemene waardering. Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam heeft de kans aangegrepen om dat eindelijk eens een keer recht te zetten. Tot en met 28 mei 2007 is daar de tentoonstelling ‘Kurt Schwitters en de avantgarde’ te zien. Een overzichtsexpositie met veel aandacht voor de Merzbau. De artikelen die over de expositie zijn verschenen beloven veel goeds. Ook de website van het museum geeft een goede indruk van wat er allemaal te zien is. Zo is er een alleraardigste kinderworskshop ‘Bouw mee aan een dagboek-grot’.
De bezoekers worden uitgenodigd mee te Merzen en relaties te leggen tussen de dingen. We zijn tenslotte allemaal deel van een geheel.
Mei 2007
De waarde van kennis devalueert
Het lijkt een discussie die nooit tot een goed einde zal komen, simpelweg omdat de twee kissebissende partijen op een oorverdovende wijze langs elkaar heen lijken te praten. Volgens aanhangers van het Nieuwe Leren veroudert kennis snel en daalt het kennisniveau niet. Daartegenover staat een groep die bewezen acht dat kennis helemaal niet snel veroudert en dat het kennisniveau wel degelijk daalt. In de Volkskrant van woensdag 17 januari 2007 stond een bijdrage van de cultuurhistoricus Thomas van der Dunk onder de alleszeggende titel ‘Ze weten echt niet waar Polen ligt’. Zijn bijdrage toont ondubbelzinnig aan dat we weinig opschieten in deze discussie. De bijdrage van Van der Dunk is een aaneenschakeling van voorbeelden waaruit zou moeten blijken dat kennis niet veroudert en dat het met het kennisniveau van studenten droevig is gesteld. Om met het eerste te beginnen. ‘Is twee plus twee plots vijf?’ en ‘Geldt de stelling van Pythagoras niet meer?’. Met deze voorbeelden wil Van der Dunk aantonen dat kennis niet veroudert. Laat ik voorop stellen dat ik het niet de meest gelukkig gekozen voorbeelden vind. Van der Dunk heeft wel gelijk: dit soort kennis veroudert niet. Ook de grammatica van het Duits of het Nederlands is de laatste decennia niet of nauwelijks veranderd. Maar juist dit is het soort kennis dat je nodig hebt om nieuwe kennis te kunnen vergaren. Neem de grammatica van het Nederlands. Studenten Taalkunde worden geacht de grammatica van het Nederlands tot in detail te beheersen. Toen Noam Chomsky ontdekte dat er sprake is van een universele grammatica en hij een Transformationeel Generatieve Grammatica ontwierp, hadden studenten Taalkunde hun traditionele kennis van de grammatica hard nodig om de merites van deze nieuwe taalkunde te doorgronden. Met het bestuderen van deze grammatica steeg hun kennisniveau en dat is ongetwijfeld ten koste gegaan van andere kennis. Kennis van de topografie bijvoorbeeld. Van der Dunk geeft in zijn stuk heel veel voorbeelden waaruit blijkt dat zijn studenten geen of nauwelijks kennis hebben van topografie. Ze weten niet waar Bohemen ligt of ze verwarren Balticum met de Balkan. Erger nog - ze weten de hoofdsteden niet van Zweden, Denemarken en Noorwegen. Indrukwekkend hoor, maar is dit soort kennis nou zo relevant? Is het niet veel belangrijker dat een student Geschiedenis weet waar deze landen liggen en wat ze gemeen hebben of juist niet? Vanuit een cultuurhistorisch perspectief begrijpen wat deze landen maakt tot de landen die ze zijn. Dat is kennis waar je wat aan hebt en waar je wat mee kunt doen. En als diezelfde student komende zomer op vakantie gaat naar Zweden en hij wil de hoofdstad bezoeken en hij weet niet wat de hoofdstad is en waar de hoofdstad ligt, dan zet hij een zoekmachine aan op Internet en dan weet hij het binnen een paar seconden. En als hij dan nog meer over deze hoofdstad wil weten, dan klikt hij op een linkje en weet alles. De vraag is: is het kennisniveau gedaald? Mijn antwoord is: nee. Het kennisniveau is niet gedaald. Het soort kennis dat wij hebben is veranderd. Onze kennis bijvoorbeeld van hoe wij aan kennis kunnen komen is de laatste jaren disproportioneel toegenomen, niet in de laatste plaats dankzij de nieuwe media die veel kennis voor ons ontsluit. Als je de wereldwijde wegen kent, tel je mee. Ontsluiten van kennis is belangrijker geworden dan kennis zelf! Ik zou het uit willen schreeuwen: kennis veroudert niet en het kennisniveau daalt niet. Kennis verandert. Daarentegen is het vermogen van mensen om iets te doen met die kennis schrikbarend aan het wegzakken. De maatschappij debiliseert op niet mis te verstane wijze.
Veel mensen zijn niet meer in staat kennis toe te passen en verbanden te leggen. Daar zit het probleem. In het onderwijs zou daarom veel meer aandacht besteed moeten worden aan het omgaan met kennis. Scholieren en studenten zouden gewaarschuwd moeten worden voor het gevaar dat wanneer ze al zappend voor de buis of de laptop hun jaren gaan slijten, ze binnen korte tijd analfabetiseren en daarmee hun kennis verkwanselen. Of een dergelijke boodschap aankomt bij de huidige generatie jongeren is zeer de vraag. De waarde van kennis waar Van der Dunk op doelt is sterk aan het devalueren. Het is jammer maar waar.
Februari 2007
De dodentrap van Oostende
Het is druk in Oostende. Opvallend druk. Nog nooit ben ik op een zondagmiddag gearriveerd in Oostende, dus dat zal de reden wel zijn dat het mij zo opvalt. Veel Belgen waarschijnlijk, die voor een zondagje Oostende aandoen. De tram rijdt z’n rechte lijn naar De Panne. Veel stelletjes, vaak met hond, flaneren over de Albert-promenade richting de Gaanderijen. Het is koud en het waait hard. Het water van de zee komt tot ver boven halverwege de dodentrap. Niet gek voor de tijd van het jaar. Een vreemde Fransman waagt zich op de dodentrap, luidkeels en met veel gebaren aangemoedigd door zijn flink opgeschoten gevolg. Een vriendelijke kenner - Oostendenaar, dat kan niet anders - slaakt een noodkreet. De Fransman verlaat de glibbergladde trap en ontneemt daarmee de zee een hapklare brok. De visbank is dicht, maar de Visserskaai is er niet minder gezellig om. Hoewel - door de vele lelijke geveltjes van de overdadig aanwezige restaurants, doet dit stukje Oostende mij de laatste jaren steeds meer denken aan Scheveningen. Ensor had er ongetwijfeld een mooi stuk over geschreven. De imposante kerstboom staat fier overeind op de Groenmarkt. In het gesloten schelpenwinkeltje hangt de aankondiging voor een tentoonstelling in Oostende met werk van Charlotte Mutsaers en Eric de Kuijper. Het Wapenplein is weer omgetoverd tot een afzichtelijke kermis. Het wordt elk jaar erger, zo lijkt het wel. Maar de Oostendenaren en toeristen hebben er blijkbaar veel schik in, getuige de overvolle kraampjes en de vele mensen die de schaatsbaan bevolken. Ik beland in Brasserie Du Parc. Ik neem plaats aan een tafeltje vlakbij de deur. Het enige tafeltje dat nog vrij is. En ik begrijp waarom. Elke keer als de deur open en dicht gaat komt er een onbeschrijflijke kou naar binnen. Ik hou me jas aan. Ik bestel een drankje, neem een hapje van de pinda’s en kijk wat om me heen. Een paar tafels verder zitten Charlotte Mutsaers en Jan Fontijn, en onder de tafel, amper zichtbaar, hond Koert. De schrijfster die mij de liefde voor Oostende heeft bijgebracht in hoogst eigen persoon. Een mooiere entree in Oostende had ik me niet kunnen wensen. Waarover praten zij? Ik zou het graag willen weten. Op gepaste afstand en zonder ook maar een blijk van adoratie, lees ik wat in Zeepijn. Het boek dat zo beeldend verwoord waarom Oostende een bijzonder band heeft met kerst. Zo doe ik toch nog mee. Er wacht mij nog een heerlijke wandeling terug naar het hotel. Over de boulevard, langs de zee en met een straffe wind tegen. De meeuwen vliegen mee. De dodentrap is niet meer zichtbaar. De zee heeft haar werk gedaan, voor vandaag.
December 2006
Pet, pen en poncho
Waar zijn de tijden gebleven? Het is verkiezingstijd. Afgelopen zaterdag was ik met vrouw en kinderen in Delft. Op de plek die in Delft en wijde omgeving bekend staat als smeltkroes van verkiezingskraampjes, was het rustig die dag. Alleen een kraampje van de SP. Veel wit en rood en de letters SP. ‘AR, TA’, riep mijn zoontje van 10 hardop toen hij de kleuren en de letters zag. Een logische en begrijpelijke reactie voor een jongen die de volgende dag z’n eerste uitwedstrijd van ADO Den Haag zou beleven: bij SPARTA in Rotterdam. SP, AR, TA zijn de belangrijkste letters (per letterpaar uitgesproken) uit het prachtige clublied van deze sympathieke rood-witgestreepte club uit Rotterdam-West. Een jongen en een meisje stonden naast de kraam met een handvol folders. Het prijswinnende logo van de SP prijkte prominent voor, naast, onder, boven en achter de kraam. Op het tafelblad van de kraam lag veel promotiemateriaal. Heel veel zelfs. Het leek wel of ze de ganse dag nog geen mens voor een folder of balon van de SP geïnteresseerd hadden weten te krijgen, zoveel spullen lagen er nog. Tussen al het materiaal stond een in Windows gefabriceerd A5’je. Mijn zoon en dochter liepen op de stand af en ik keek toe. Ik keek naar het A5’je en zag dat het een prijslijstje betrof. Een balpen € 0,50, een aansteker € 0,25 en een cap € 2,50. De SP is een politieke partij die inmiddels ruim wordt vertegenwoordigd in de Tweede Kamer. Jaarlijks ontvangen ze een alleraardigst belastingcentje. De partijkas van de SP moet zowiezo aardig gevuld zijn, want alle kamerleden leveren een deel van hun salaris in ten bate van de partijkas (naar goed Maoistisch gebruik). Nivelleren heette dat in de jaren zestig en zeventig. Toen ze nog niet in de Kamer zaten en toen ze nog een echte protestpartij waren, toen kon je nog een aardig aanstekertje of spel kaarten scoren bij de kraam van de SP. Tegenwoordig niet. Tegenwoordig moeten ze er geld voor hebben. Veel geld. Waar zijn de tijden gebleven? Mijn kinderen kwamen teleurgesteld terug van de kraam. Ik vertelde ze dat pennen en aanstekers van de SP niks waard zijn. Ook niet op een rommelmarkt. We vervolgden onze weg. Een paar minuten later liepen de kinderen er groen en rood behangen bij. Trots als ze waren op hun gratis verkregen pet, pen en poncho van CDA, PvdA en Groen Links. Het zal wel een nek-aan-nek race worden.
November 2006
Nieuwsmaker
In Adformatie wordt wekelijks een hele pagina ingeruimd voor een zogenaamde ‘Nieuwsmaker’. Een hele pagina over iemand die in die week het nieuws heeft gemaakt, meestal in de vorm van vraag en antwoord. In Adformatie van 29 september 2006 werd Walter Amerika gepresenteerd als de nieuwsmaker. Walter Amerika is oud-creatief directeur en voorzitter van FHV BBDO en nu onafhankelijk adviseur met zijn eigen bedrijf CI 3. Hij is oprichter van de Creative Industry Bank. Deze bank moet als financier gaan optreden van creatieve bedrijven en gaat volgend jaar mei open. Dit laatste feit is de reden dat hij een hele pagina heeft gekregen in Adformatie. Het citaat boven de pagina trok mij aan: ‘We gaan toe naar connecting creativity’. Zonder verder te lezen wist ik het: dit moet Walter Amerika zijn. De Walter Amerika. Walter Amerika heeft in de periode bij FHV BBDO een rijke en imposante reputatie opgebouwd met nietszeggende kretologie en holle frasen. En in Adformatie van 29 september 2006, jaargang 34, nummer 39 lezen we weer een prachtig staaltje. Wat bedoelt Walter nou precies met ‘connecting creativity’? Daar bedoelt hij mee, ik citeer: ‘(..) dat het in de nieuwe vormen van creativiteit niet gaat om het eindproduct, maar om de dingen bij elkaar te brengen die normaal niet bij elkaar komen. Kennis en geld, burger en overheid, verschillende culturen. Daardoor kan ook de reclame- en communicatiewereld uit het isolement komen om bijvoorbeeld het onderwijs te verbeteren.’ Einde citaat. Walter is al weer een tijdje weg bij FHV BBDO. Ik heb geen idee waar zijn huidige bedrijfje is gevestigd, maar het moet ver weg zijn van de bewoonde wereld. Want iemand die in 2006 tot de ontdekking komt dat het bij creativiteit gaat om dingen bij elkaar te brengen en niet om het eindproduct, die staat ver af van de realiteit en die weet niet dat we al jaren in een postmoderne tijd leven waarin we ongeremd dingen bij elkaar brengen. Culturen, kennis en geld, maar ook verschillende (kunst)disciplines binnen en buiten het vak En dan ook nog de stelling aandurven dat de reclame- en communicatiewereld - door dingen bij elkaar te brengen - uit het isolement kan komen. De reclame- en communicatiewereld en het isolement. Wat een stelligheid. Als er al sprake is van een isolement, dan kom je daar niet uit door alleen maar dingen bij elkaar te brengen. Iedereen die de reclamebranche een beetje kent weet dat daar veel meer voor nodig is. Ook Walter moet dat weten.
Oktober 2006
Zure spruiten
Het gebeurt niet vaak dat er een boek verschijnt over reclame dat is geschreven door een reclamemaker. Maar als het gebeurt, dan weet de media er wel raad mee. Toen begin dit jaar het boek ‘Kogelharde spruiten’ van Eugène Roorda verscheen, was heel medialand er als de kippen bij om boek en auteur uitvoerig te bespreken. Op Radio 1 werd op een doordeweekse ochtend zelfs een halfuur lang aandacht besteed aan het boek. Het bracht mij ertoe ‘Kogelharde spruiten’ aan te schaffen en te lezen. De ondertitel van het boek luidt: ‘Bekentenissen van een reclameman’. Een ondertitel die de suggestie wekt dat de schrijver zich in het boek even lekker gaat prijsgeven. In het ‘Woord vooraf’ geeft Roorda een aantal redenen waarom hij het boek heeft geschreven. In de eerste plaats ‘(..) omdat het een beeld geeft van een bekend en succesvol supermarktconcern (Dirk van den Broek), waar doorgaans weinig over naar buiten komt’. En in de tweede plaats ‘(..) omdat het een aardige indruk geeft van hoe het er aan toe gaat tussen een reclamemaker en een opdrachtgever’. Het boek is opgebouwd uit een woord vooraf, 9 hoofdstukken en een epiloog. De hoofdstukken worden consequent onderbroken door wat Roorda ‘bespiegelingen’ noemt: korte paragrafen over thema’s uit de reclamebranche. Uiterst irritante onderbrekingen van een verhaal dat maar geen verhaal wil zijn. Daar komt bij dat het boek bedroevend slecht is geschreven door iemand die overloopt van frustraties. Dirk van den Broek heeft Eugène Roorda op niet mis te verstane wijze de deur gewezen. En dat zit ons Eugènneke niet lekker. Voor een man met het ego van God op aarde, bijna een reden om de nieuwe spoorlijn van de HSL op te zoeken en een sprong te wagen. Na lezing van het boek had ik maar één gedachte: Eugène Roorda heeft van zijn psychiater te horen gekregen dat hij zijn frustraties met betrekking tot Dirk van den Broek maar eens van zich af moest schrijven. Schrijven is immers in veel gevallen de beste methode om je frustraties het hoofd te bieden. En ik moet zeggen: vanuit therapeutisch perspectief is hij daarin fantastisch geslaagd. Maar om dat therapeutische schrijfwerk nou in een boekje vorm te geven en in de schappen te leggen van de boekhandel en daar 9 euro 99 voor te vragen, is iets teveel van het goede. Maar het boek verkoopt en is daarmee het zoveelste bewijs dat gebakken lucht met goede pr en een goede marketingstrategie aan de man en de vrouw gebracht kan worden. Het is ook het zoveelste bewijs dat een copywriter niet per definitie kan schrijven. En het is het zoveelste bewijs dat Eugène Roorda moeilijk overweg kan met zijn misselijkmakende zelfingenomenheid. De openingsregel op zijn website spreekt wat dat laatste betreft boekdelen: ‘Als uw reclame niet deugt, ligt dat in veel gevallen aan uzelf’. Lees ‘Kogelharde spruiten’ en u weet wat ik bedoel. Maar u kunt natuurlijk ook gewoon uw tijd goed besteden en een echt boek lezen.
September 2006
Jan Roeland
De overzichtstentoonstelling van het werk van de Nederlandse schilder Jan Roeland in de Beyerd in Breda, is er een van tegenstellingen: abstractie versus figuratie en koele zakelijkheid versus ontroering. De tentoonstelling geeft een retrospectief van deze Amsterdamse schilder over de jaren 1967-1997.
Uit de tentoonstelling komt naar voren dat Jan Roeland een eigenzinnige manier heeft gevonden om de wereld om hem heen te benaderen, geobsedeerd als hij is door strakke lijnen en felle en contrasterende kleuren. Zijn thema’s en motieven zijn ontleend aan ogenschijnlijk oppervlakkige trivialiteiten als enveloppen, planten, messen, brillen, wachters, en ga zo maar door. Maar wat trivialiteiten lijken, zijn in het werk van Jan Roeland zeer bewust uitgewerkte ideeën over hoe je naar de wereld kunt kijken. Dit was mijn conclusie na een eerste rondgang in de Beyerd. Na mijn tweede rondgang wist ik beter, zo dacht ik althans. De contrasterende kleuren in het werk van Jan Roeland en de vaak toegepaste dieptewerking, geven aan de alledaagse dingen in de schilderijen van Jan Roeland een zweem van confrontatie. Confrontatie van het innerlijk met het uiterlijk. Maar ook de confrontatie tussen vorm en inhoud. Het is drie uur. Achter de microfoon van de inderhaast en improvisatorisch ingerichte hoofdzaal van de Beyerd, nemen plaats Jan Roeland en K. Schippers. ‘Door middel van een interview zal K. Schippers Jan Roeland nog eens nader aan de tand voelen’, zo wordt ons beloofd op een stenciltje dat de tentoonstelling begeleidt. Maar K. Schippers kan vragen wat hij wil, Jan Roeland blijft Jan Roeland. Eens te meer blijkt hij niet te vermurwen tot zwaarmoedige verhandelingen over ontwikkelingstheorieën, literaire vergelijkingen, kleursymboliek of vermeende interkunstualiteit. Jan Roeland brengt de interviewer en het verzamelde publiek tot de essentie van zijn werk. Niks confrontatie van het innerlijk met het uiterlijk. Gewoon kijken naar de dingen en ze losmaken uit hun omgeving en ze in een nieuwe omgeving plaatsen. Daar gaat ’t om. Jan Roeland heeft mij op weg geholpen. Mijn eerste rondgang was de beste, zo bleek maar weer. Mijn derde en laatste rondgang de indrukwekkendste: het isolement doorbroken! Kwestie van een paar woorden.